Op basis van gesprekken met hengelaars langs het Kanaal Gent-Terneuzen, speculeert David Dumont over een artistieke verbeelding op het raakvlak van industrie, ecologie en het lokaal voedselsysteem.
De Vlaamse overheid raadt al een tijd het eten van zelfgevangen vis uit openbare wateren af. Een advies dat door North Sea Port, de economische macht in het havengebied, nadrukkelijk wordt bevestigd. De historische vervuiling is immers onbetwistbaar, de actuele nu ook onomkeerbaar.
De hoogste visvergunning van diezelfde Vlaamse Overheid, het zn. groot verlof, laat paradoxaal genoeg wel toe om een selecte vangst mee naar huis te nemen. Alle waarschuwingen, wetten en beperkingen ten spijt groeide dus ook langs het kanaal een discrete culinaire folklore. Als uitloper van de stad waar ooit Waterzooi ontstond (de bij elkaar geviste ‘armeluiskost’ die omwille van vervuiling telkens een nieuwe, creatieve invulling kreeg) verbaast dit geenszins.
Dit is een verhaal van zelfredzaamheid, volkswijsheid en berekende risico’s. Onder sommige vissers leeft het idee dat het water anno 2025 nooit zo zuiver is geweest.
Maar het is ook tekenend hoe een diepmenselijk ‘jagen & foerageren in eigen habitat’ zijn plaats opeist in de gewelddadige scenografie van het kanaalgebied. Op het eerste zicht lijkt het een nietige en onbeduidende bedrijvigheid maar het doet wel verbeelden over nieuwe groeikracht.
Zou deze kunstmatige waterstraat in een toekomst een schakel kunnen zijn in de lokale voedselketen? Kan een schaalvergroting van een hobbypraktijk een ecologische catharsis teweegbrengen? Betekent het vooruitzicht van economische rendabiliteit een doorbraak voor waterkwaliteit, biodiversiteit en volksgezondheid? Wat zou een representatief én appetijtelijk exportproduct kunnen zijn voor de dynamische kanaalregio?
De plannen voor een bedenkelijke maar ambitieuze start-up in de voedingsindustrie liggen op tafel.